De Mens Achter... Wilfred Genee
Hij maakt columns, schrijft interviews én presenteert. De 42-jarige Wilfred Genee, de voetbaljournalist die sinds kort ook nog eens op vrijdag achter de microfoon zit bij The Friday Move van BNR Nieuwsradio, is van vele markten thuis. De essentie van zijn boodschap: als je ergens in gelooft, kun je het ook bereiken.
Het interview is nog geen paar minuten oud als ineens Edwin Rutten naast onze tafel staat. Ome Willem dus. Een ‘spijkerharde fan’ als hij is, wil hij Wilfred Genee graag complimenteren met zijn sterke optreden van gisteren als presentator van het discussieprogramma Voetbal International bij RTL. “Nou, dat mag”, glundert Genee voor zijn net bestelde schnitzel.
Het gesprek gaat nog even door over zijn prikkelende één-tweetjes met Johan Derksen, zijn vaste tafelgast, wanneer Genee ineens tegen Rutten zegt: “U weet het vast niet meer, maar zeventien jaar geleden heb ik u na een optreden van Ome Willem geïnterviewd voor de ziekenomroep. Dat heeft toen enorm veel indruk op me gemaakt. Na afloop gaf u me namelijk een hele goede tip: u zei namelijk dat ik wat meer rust in mijn ogen moest hebben.” Dan zou het allemaal wel goed komen, aldus Rutten. En ja, het kwam goed met Genee: nadat hij eerst op tv te zien was bij OOG TV, een lokale omroep in Groningen, vertrok hij al vrij snel naar Hilversum waar hij onder meer werkte voor Filmnet, Sport7, SBS6, CanalPlus en Talpa en daar definitief doorbrak. Inmiddels is Genee, op 27 juni 1967 geboren, verder doorgestoomd en zit hij onder meer bij RTL en Eredivisie Live.
Waarom ben je geen voetballer geworden?
“Laten we eerlijk zijn: dat is natuurlijk de droom van iedere voetbaljournalist. Maar ja, ik had op mijn twaalfde wel door dat ik niet het talent had om namens Real Madrid in Bernabeu de winnende treffer te maken. Sterker nog, zelfs een carrière bij Cambuur was niet haalbaar. Ik was weliswaar elke dag bezig met voetbal en ik kon ook wel aardig voetballen. Zo had ik eerst als keeper en later als hardwerkende middenvelder best techniek en ook wel wat inzicht, maar als je bij MKV’29 al ziet dat anderen beter zijn, weet je dat op het hoogste niveau geen plek voor jou is. Dat was natuurlijk een enorme domper, al kende ik bij het Gronings studentenelftal nog wel een moment van glorie. Thuis tegen Peize 3 scoorde ik ooit drie keer: met het hoofd, met links én met rechts. Echt alles lukte in die wedstrijd. Nu voetbal ik zelden meer. Je moet heel goed weten wat je beperkingen zijn.”
Toch heb je als journalist de top gehaald in de voetbalwereld. Wanneer wist je dat?
“Het klinkt misschien nogal aanmatigend en zelfs enigszins arrogant, maar eigenlijk is er nooit echt twijfel geweest. Er was altijd een grote innerlijke overtuiging dat het zou gaan lukken, al kan ik dat niet precies verklaren. Al moet het bij mij wel live. Semi-live ben ik namelijk de slechtste presentator van Nederland. Dan kan ik niks, omdat ik dan steeds denk: ach, ik kan het wel overdoen, waardoor ik fouten ga maken.”
Vaak gehoord: een voetbaljournalist moet hebben gevoetbald. Mee eens?
“Ja, ik vind wel dat je een beetje gevoetbald moet hebben. Maar dat hoeft niet per se in de top te zijn. Dat je het zelf niet kan uitvoeren, wil niet zeggen dat je het niet kan begrijpen. Want dat kan ik wel, net zoals ik in staat ben om een wedstrijd te lezen. Door constant met mensen in het wereldje over voetbal te praten, krijg ik bovendien steeds meer inzicht. Maar of ik er ook verstand van heb? Ach, dat vind ik een relatief begrip. Niemand heeft er verstand van. Dan had je wel elke week de toto goed gehad.”
Wat is voor jou het meest ultieme voetbalmoment?
“Het afscheidsduel van Diego Maradona in Buenos Aires. Een ongelooflijke ervaring. 60.000 man die 90 minuten lang huilden, zongen en sprongen. Verder vergeet ik nooit meer het optreden van Maradona die zo dik was dat hij drie keer over de middellijn struikelde en geen bal goed raakte. Die was toen echt helemaal de weg kwijt. Ik had niet de indruk dat hij helemaal schoon was. Man, ik krijg nog altijd kippenvel als ik daar aan denk en dat ik daar bij mocht zijn.”
Inmiddels heb je vele petten op. Je schrijft columns voor onder meer Playboy en het AD, maakt interviews voor VI en presenteert bij het tv-programma Voetbal International. Wat is het leukste om te doen?
“Interviewen! Ik vind het vooral leuk om te reageren op bepaalde situaties. Eerlijk gezegd miste ik dat wel toen ik nog De Wedstrijden presenteerde bij Talpa en dat erg recht toe, recht aan. Teveel uit het hoofd, minder uit het hart. Ik had 30 seconden om te zeggen wie tegen wie speelde en wie de commentator was. Dat was het. Op den duur had ik echt het gevoel dat ik een presentatiemachine werd. Ik heb toen ook tegen mezelf gezegd: dit is niet waarom ik met dit vak ben begonnen. Dat gevoel heb ik nu wel weer, al had ik het ook niet erg gevonden als ik een goede stem had gehad. Ooit heb ik eens in het Holland Heineken House voor 500 man Zij Gelooft In Mij van André Hazes gezongen. Dat ging echt goed. Althans, dat dacht ik. Want toen ik het fragment de volgende ochtend bij Edwin Evers op Radio538 hoorde, deed het echt pijn aan de oren. Nee, de eerste ronde van Idols had ik dan ook zeker niet overleefd. Of ze moeten ondersteboven zijn geweest van mijn enorme enthousiasme.”
Vandaar ook dat je bij jouw programma bij BNR Nieuwsradio direct de karaoke invoerde?
“Klopt. Ik kan absoluut niet zingen, maar karaoke is het leukste dat er is. Zo doe ik dat al sinds mijn 22ste, toen ik in Groningen studeerde. Dat deed ik dan regelmatig in een café. Het mooie van zingen in een kroeg is dat je daarmee niemand kwaad doet, ha.”
Je zit al jaren in de sporthoek, maar toch zei je ja toen BNR Nieuwsradio je benaderde. Waarom?
“Simpel. Naast dat je er als mens alleen maar beter van kan worden en je je daardoor nog meer ontwikkelt, is een dergelijk programma - een live talkshow van 3,5 uur, in een café, met publiek en een band – altijd wat ik heb gewild. En het gaat elke week ietsje beter. Ik ben er dan ook van overtuigd dat als we dit concept op televisie zouden uitzenden, iets waarover we het al een keer hebben gehad, het ook prima zou werken.”
Je interviewt bij The Friday Move met name politici en topmensen uit het bedrijfsleven. Is dat anders interviewen dan een voetballer?
“Ja en soms is het nog leuker ook. Voetballers zijn wel aardig, maar er komt vaak niet zoveel uit. Ministers en topmannen kun je bovendien op een andere manier interviewen, kun je meer teasen. Voetballers denken in dat geval al vaak: wat een lul, maar ministers anticiperen daar juist goed op en dat maakt het zo leuk.”
Begrijp je dat sommigen niet durven te komen?
“Ja, maar toch. Als je goed in je vel zit en je overtuigd ben wat je kunt en waar je voor staat, dan heb je toch niks te verliezen? Dan krijg je echt alle ruimte om jezelf te verdedigen en om de discussie aan te gaan.”
Word jij nooit moe van Johan Derksen?
“Nee. Johan en ik hebben een haatliefdeverhouding die een beetje gecultiveerd is én die werkt. Ja, we hebben wel iets met zijn tweeën en kunnen dan ook alles tegen elkaar zeggen.”
Johan Derksen kan, net als Frits Barend en Jack van Gelder, niet normaal meer naar een stadion. Geldt dat voor jou ook?
“Nee, ik ben nog nooit lastig gevallen of zo. Maar dat komt puur omdat iedereen wel weet dat ik Cambuur-fan ben. Daar hebben mensen zoveel medelijden mee.”
“De essentie van mijn boodschap: als je ergens in gelooft, kun je het ook bereiken. En dat het belangrijk is om authentiek te zijn, zodat je niet uit je rol kan vallen. Aan de hand van sportmetaforen bouw ik dan zo’n presentatie op, al zeg ik tegelijkertijd wel: neem het niet te serieus allemaal. Ik vertel het namelijk wel met een enorme knipoog en een dosis zelfrelativering. Ik word altijd zo moe van personen die het altijd beter schijnen te weten.”
Je bent dus van veel markten thuis. Hoe moeten we de economische crisis oplossen?
“Ik presenteer nu een paar maanden The Friday Move en heb ondertussen met de grootste economen aan tafel gezeten, onder wie Pieter Korteweg en Sweder van Wijnbergen. Belangrijkste conclusie: ze weten allemaal evenveel van economie als Johan Derksen van voetbal. Niemand weet het en niemand zag dit aankomen. Dat geeft aan hoe relatief wijsheid is in wetenschap, zeker op het gebied van economie. Als deze mensen het al niet weten, wie ben ik dan om daar iets over te zeggen?”
Wie
Word